1920192519301935194019451950195519601965197019751980198519901995200020052010
Het Nationaal Onderzoek Jongerenmedia (NOJ) werd in 1976 en 1980 uitgevoerd door de VNU en was gericht op het leesgedrag van kinderen en jongeren. Belangrijk jongerenonderzoek komt op de naam van Qrius, het bureau van specialist Paul Sikkema.
In 1979 werden de resultaten van het eerste Psyche-onderzoek bekend gemaakt. De opzet was de consument verder te omschrijven dan alleen in socio-economische criteria. In Psyche werd aan de consument een enorme vragenlijst voorgelegd op het gebied van productgebruik en -bezit en op het gebied van activiteiten, interesse en opinies. Psyche werd met behulp van datafusie gekoppeld aan het NOP 1977 en NOP 1979.
Het Reclame Reactie Onderzoek (RRO) mat hoeveel mensen de pagina met de advertentie hadden gezienx en hoeveel mensen wisten van welke adverteerder afkomstig was en om welk product het in de advertentie ging. In de jaren zeventig heeft Jan Stapel de resultaten van duizenden RRO’s samengevat in het boekje Reclameresultaten meten voor marketing.
De WaardenMonitor (2006) is een diepgaand kwalitatief onderzoek dat is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam. Het meet de waardeuitstraling van tijdschriften, websites, evenementen en merken. De WaardenMonitor laat zien welke van 48 waarden en normen mensen bij bepaalde merken en media vinden passen.
In 1986 ging SUMMO van start. In eerste instantie werd de methode van ‘gisteren eerste keer gelezen’ x gehanteerd, maar vanwege problemen met leeskansen groter dan 1 x werd ze vervangen door de ‘recent reading’-methode. SUMMO voerde het onderzoek continu uit, met tweemaal per jaar een publicatie. Vanwege de hoge kosten, werd het onderzoek telefonisch uitgevoerd. Doordat er steeds meer titels gemeten moesten worden, is bij de overgang van SUMMO naar NOM in 2001 CASI (Computer Assisted Self Interviewing) toegepast in een steekproef uit de accesspool van het NIPO.
Met dank aan Costa Tchaoussoglou
In de loop van de jaren hebben ook x tijdschriftredacties zelf spraakmakende onderzoeken onder de lezers laten verrichten. Vooral in de jaren zestig, zeventig en tachtig waren dergelijke onderzoeken belangrijk, omdat ze haarscherp de veranderingen in de maatschappij blootlegden. Zo verscheen in 1966 de uitslag van een groot onderzoek van Margriet onder haar lezers naar de beleving van God. In 1969 haalde Margriet de pers met de uitslagen van een enquête naar seksualiteit en in 1972 was dit het geval met de resultaten van een onderzoek naar ‘de werkende vrouw’.
Het grote onderzoek van Viva in 1981 naar ongewenste intimiteiten op het werk leidde zelfs tot nieuwe wet- en regelgeving. De schokkenden resultaten van dit onderzoek (zie Primeurs) resulteerde in de oprichting van een werkgroep ongewenste intimiteiten met vertegenwoordigers van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) en de Stichting Ombudsvrouw, alsmede onderzoekers die er namens Viva inzaten. Het onderzoek dat Libelle begin 2005 publiceerde over mantelzorg in Nederland bracht eveneens opzienbarende feiten aan het licht. Zo bleken in 2001 2,4 miljoen Nederlanders acht uur of meer per week mantelzorg te verlenen en waren 200.000 mantelzorgers overbelast.
Al met al kan de conclusie worden getrokken dat de onderzoeken die met name de grote vrouwentijdschriften onder haar lezers hielden en nog steeds houden wezenlijke informatie geven over zaken waar politiek en maatschappij nogal eens aan voorbijgaan, maar die wel in grote mate het leven van vrouwen bepalen. Waarmee alweer bewezen is hoe relevant vrouwentijdschriften zijn.
[MH]