1905191019151920192519301935194019451950195519601965197019751980198519901995
VNU kon mede floreren dankzij een sterk abonnementenkanaal. Het begon met de bladenmannen (fulltime en parttime) die de VNU-tijdschriften distribueerden, nieuwe abonnementen scoorden en de incasso verzorgden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de organisatie drastisch gereorganiseerd en vooral gemoderniseerd. Het werd een franchise organisatie, de beste bladenmannen werden omgeschoold tot kleine (juridisch) zelfstandige franchisenemers en er kwam ook veel vers bloed bij. Zo ontstond een hechte organisatie, waarbij de franchisenemer de distributie overliet aan parttime bezorgers, de betaling regelde met acceptgiro’s en bij de marketing in de wijk niet alleen uitging van werving, maar vooral van behoud van abonnees. Eind vorige eeuw viel echter de beslissing de organisatie successievelijk af te bouwen en alles over te hevelen naar de post. Het postkanaal had trouwens altijd al een (bescheiden) rol vervuld ter dekking van de witte gebieden en ter wille van klanten die niet bij een franchisenemer wilden zitten. Belangrijke aspecten rond deze besluitvorming was het probleem bezorgers te vinden, de grip op het betalingsverkeer te houden en de wens van VNU de adressen te bezitten. Bovendien zou de verwachte liberalisering van de post de tarieven verlagen. VNU/Sanoma sloot een lange termijn contract af met TNT, een concern dat met zijn tariefstelling rekening moest houden met concurrenten als Sandd en Selektmail.
Ook uitgevers van gratis tijdschriften, zoals stadsmagazines, moeten deze distribueren. Een stapel ergens neerleggen kan altijd, maar effectiever is een display op een punt in bijvoorbeeld een winkel, horecagelegenheid of theater waar veel mensen passeren. En nóg effectiever is het de keuze van de plek af te stemmen op de doelgroep van het blad. Meestal wordt daarvoor geen vergoeding gegeven, ook al omdat de eigenaar van de locatie zo’n weg te geven blad eigenlijk wel een aardig gebaar naar zijn klanten vindt. En voor de uitgever geldt zoals altijd: hoe hoger de oplage hoe hoger het advertentietarief.
Een typisch Nederlands fenomeen – heel veel voor weinig geld – is de leesportefeuille voor zowel thuis als voor gebruik in wachtruimtes van allerlei instellingen. Vroeg in de vorige eeuw heeft de rechter leveringsplicht verordonneerd, want eigenlijk waren de uitgevers destijds huiverig om mee te werken. Hoewel de betekenis van het kanaal is afgenomen, zouden de uitgevers het nu niet willen missen. Titels als Margriet en Libelle zitten in circa 30.000 eerste-weeks-mappen, de standaardmap, en genereren daarmee een bereik van enkele honderdduizenden lezers. Hoewel het aantal exploitanten sterk is verminderd is er wel een grote variëteit in de samenstelling van de mappen ontstaan (bijvoorbeeld door er ook maandbladen in op te nemen).
Wat betreft de losse verkoop speelt de distributeur een belangrijke, intermediaire rol. Die grossiersfunctie, ingevuld door de twee concurrerende bedrijven Aldipress en Betapress, is even nuttig als lastig. Zij moeten namelijjk de tegenstrijdige belangen van ‘twee heren’ dienen. De uitgever wil flink wat verkooppunten, een zo opvallend mogelijke positie in de winkel en op die manier zoveel mogelijk verkopen, maar de detailhandel heeft beperkte ruimte en wil zijn kostbare meters plank zo goed mogelijk te gelde maken. Steeds meer zal de grossier gerichter moeten gaan distribueren, dus op basis van de verkoopresultaten van een verkooppunt niet overal alle tijdschriften neerleggen. De uitgever is de opdrachtgever van de grossier en de ‘retailers’ zijn de afnemers die de tijdschriften met recht van retour ontvangen. Dat wil zeggen zonder risico, want de winkel wordt gecrediteerd voor wat onverkocht is gebleven. Zowel de detailhandel als de grossier ontvangen van de uitgever een marge, bij elkaar rond de 40 procent, van de adviesprijs van het blad.